In het Hotel de la Cloche te Reims werd ten
jare 1651 in het welstellende, invloedrijke gezin van Louis de La Salle en
Nicole Moët een zoon
geboren
die bij het doopsel de naam Jean-Baptiste ontving. Hij was de eerste van elf
kinderen.
Al vroeg bleek hij, door
zijn ernstige en vrome levenswandel, voorbestemd voor een kerkelijke carrière.
Op zijn 11de jaar kreeg hij de tonsuur als teken van zijn verlangen
naar het priesterschap. Op zijn 16de werd hij kanunnik van
de kathedraal te Reims. Aan de Sorbonne te Parijs
begon hij in 1668 zijn studies tot voorbereiding van zijn priesterwijding. Door
de plotselinge dood in 1971, eerst van zijn vader en dan van zijn moeder, moest
hij zich, als oudste, belasten met de opvoeding van zijn broers en zusters, wat
zijn priesterwijding enigszins op de achtergrond schoof, maar hem niet belette
zijn studies verder te zetten. In 1678 werd hij dan toch priester gewijd en
behaalde hij een doctoraat in de theologie. God leidde deze man naar een totale
inzet van zichzelf voor de kansarmen van zijn tijd, de kinderen van armen en
ambachtslui.
Achttien dagen na zijn priesterwijding, op 27 april 1678,
stierf zijn vriend, priester Nicolas
Roland, stichter van een congregati
e
van zusters voor onderwijs aan meisjes. De La Salle nam de zorg over voor deze
stichting. Bij de zusters ontmoette hij Adrien Nyel, een schoolmeester, die naar
Reims was gestuurd om daar armenscholen op te richten. De La Salle hielp hem bij
de start en dacht dat hiermee zijn taak voltooid was. Maar, na de school op de
Sint-Mauritius parochie volgden vlug een tweede en een derde. De La Salle merkte
de onstandvastigheid van Adrien Nyel en het gebrek aan opleiding van de jonge
meesters. Hij bracht hen samen in een huis, bekommerde zich om hun vorming. Na
een paar jaar nam hij ze op in zijn eigen huis en werd geleidelijk aan geheel
door het werk van de scholen in beslag genomen. Laat ons even luisteren naar wat
hij zelf hierover schreef:
"Door allerlei
omstandigheden (o.a. de ontmoeting met Nyel)
begon ik de zorg voor de jongensscholen op mij te nemen. Voorheen dacht ik er
helemaal niet aan. Toch had men mij erover gesproken. Heel wat vrienden van
Roland trachtten mij te overhalen, maar het drong niet tot mij door en nooit
vatte ik het plan op het uit te voeren. Meer nog, had ik mij gerealiseerd
dat het liefdadigheidswerk voor de
schoolmeesters waarmee ik begon, voor mij de plicht zou inhouden met hen te gaan
samenwonen, dan had ik het laten varen."

De
grote verdienste van de La Salle is dus niet een stichting gepland te hebben.
Hij heeft zich gewoon door dit werk (door God) laten grijpen en hij is zijn
eerste engagement trouw gebleven. Zo verliet hij zijn familie om met de meesters
te gaan samenleven en deed hij afstand van zijn kanonikaat om de onzekere
levensvoorwaarden van zijn broeders te delen. Hij stichtte nieuwe scholen in de
omgeving van Reims en Parijs. Tegenslagen bleven niet uit. Verscheidene
medewerkers verlieten hem en zijn werk scheen in mekaar te storten. Samen met
twee vertrouwelingen legde hij de heldhaftige gelofte af de stichting van de
armenscholen in stand te houden, ook al zouden ze maar met zijn drieën
overblijven en tot de bedelstaf gedwongen worden.
De La Salle bleef niet
gespaard van moeilijkheden. Zijn hele leven was getekend door tegenwerking en
laster. Naar het einde van zijn leven toe werd het zo erg, dat hij naar het
zuiden vluchtte om zich in de buurt van Grenoble te vestigen, eerst in de Grande
Chartreuse, nadien teruggetrokken in een kluis te Parménie. Het was alleen na
lang aandringen van enkele verantwoordelijken onder de broeders, dat hij naar
Parijs terugkeerde om opnieuw de leiding van het Instituut op te nemen. Omdat
hij het uitdrukkelijk wenste, kozen de broeders op 18 mei 1717 één onder hen als
opvolger om het Instituut te besturen. Om te verzekeren dat de stichting gericht
bleef op haar doel: de opvoeding van de verwaarloosde jeugd, en dat ieder lid
hiervoor helemaal beschikbaar was, zou niemand onder hen een kerkelijke wijding
mogen ontvangen.